|
Aandrijfassen zijn in onderhoudsvrije uitvoering of in doorsmeerbare uitvoering leverbaar.
Bij de doorsmeerbare aandrijfassen ( figuur 5) geschiedt het smeren van de 4 naaldlagers van een koppeling door een kogelsmeernippel volgens DIN 71412 in het midden van het kruisstuk. In uitzonderingsgevallen kunnen de smeernippels ook aan de onderzijde van de lagerbussen aangebracht zijn.
Voor het doorsmeren moeten de smeernippels gereinigd zijn .
Figuur 5

Het vet wordt door de kogelsmeernippel 1 geperst en via het verdeelkanaal 2 naar de lagerbussen gevoerd. Door de sleuven 3 in de drukschijf en de rand 4 van de tap van het kruisstuk komt het vet tussen de naaldlagers. Bij verder vettoevoer dringt het vet zich door de zich ventielachtig openende spleet van de afdichtlippen 5 en door het labyrinth. Bij spleet 6 van het labyrinth treedt het overbodige vet weer uit.
Er dient zo lang doorgesmeerd te worden, tot bij alle 4 de lagerbussen vet uitgetreden is.
Indien niet alle 4 de lagerbussen door te smeren zijn, dan moet de aandrijfas uitgebouwd worden.
Het schuifstuk is bij de standaarduitvoeringen onderhoudsvrij, zoals in de tekeningen in de voorafgaande tabellenbladzijden is weergegeven.
Bij speciale nasmeerbare uitvoeringen wordt het schuifstuk ( figuur 6) van vet voorzien uit een voorraadkamer a, die middels een druksmeerventiel nagevuld wordt.
Het is zinvol de as in ingeschoven toestand ( voertuig beladen) te smeren via het reservoir a, zodat een luchtdrukopbouw ontstaat, voor het uitschuiven van de as.
Om te voorkomen dat bij het onjuist vullen van het reservoir, problemen ontstaan aan de aandrijfas of lagers van aansluitende agregaten, kan op verzoek een overdrukventiel c ingebouwd worden , zodat een ontoelaatbare drukopbouw in het reservoir voorkomen wordt.
Figuur 6

2.1 Doorsmeerintervallen en Reiniging
Voor zover niet anders door voertuig- of opbouwfabrikanten wordt voorgeschreven, wordt aanbevolen de volgende onderhoudsintervallen aan te houden.
De gegevens in de tabel hebben betrekking op Europese en daarmee vergelijkbare omstandigheden.
Indien de bedrijfsomstandigheden hiervan afwijken kan het nodig zijn met kortere intervallen na te smeren.
Als aandrijfassen met hogedrukreinigers of stoomcleaners gereinigd worden, moet na elke reiniging doorgesmeerd worden.
Doorsmeerintervallen voor koppelingen
| Inzet | Doorsmeerintervallen |
|
|
| Vrachtwagens |
|
| Vrachtwagens in nationaal-en internationaal transport |
Alle 50.000 km of max. na 1 Jaar |
|
|
| Vrachtwagens in gemende straten-en terrein- inzet, en stadverkeer en voertuigen met gelijksoortige inzet. |
Alle 25.000 km of max. na 1/2 Jaar |
|
|
Vrachtwagens in bouwputten Gemeentelijke voertuigen Bouwmachines Kraanvoertuigen Landbouwvoertuigen, traktoren Militairevoertuigen * en gelijksoortig ingezette voertuigen |
Alle 12.500 km of max. na 1/4 Jaar |
| Bussen |
|
| Bussen in Nationaal-internationaal verkeer |
Alle 50.000 km of max. na 1/2 Jaar |
|
|
| Bussen in stadsverkeer |
Alle 25.000 km of max. na 1/4 Jaar |
|
|
| Industrieanlagen |
maandelijks, ten hoogste na 500 bedrijfsuren
|
Na doorwadingen zijn kortere smeerintervallen noodzakelijk.
Doorsmeerintervallen voor schuifstuk en tussenlagers
Het schuifstuk en het tussenlager zijn standaard onderhoudsvrij uitgevoerd.
Bij de doorsmeerbare uitvoeringen van deze leverancier gelden dezelfde onderhoudsintervallen als die voor koppelingen.
2.2 Smeervetten
Als smeervet bevelen wij aan : Lithium-Komplexvetten met een consistentie volgens NLGI-Klasse 2 volgens DIN 51818
In het bijzonder bevelen wij aan de produkten die zijn vrijgegeven in onze schriftelijk uitgave TM 150.
Men moet er op letten, dat nooit wordt doorgesmeerd met vetten met een andere zeeptype, omdat b.v. Lithium- en Natronvet onverdraagzaam zijn.
KLEIN-aandrijfassen in standaarduitvoering zijn geschikt voor bedrijfsmatige inzet bij omgevingstemperaturen van -35°C tot +60°C (kortstondig en niet vaak +80°C).
Bij inzet van aandrijfassen buiten dit temperatuurbereik en bij omgevingsmedia die afwijken van de norm, raden wij aan kontakt met ons op te nemen.
2.3 Inspectie intervallen
Voor zover niet door een voertuig of installatiefabrikant voorgeschreven, adviseren wij de volgende inspectie intervallen.
Hierbij onderscheiden wij inspecties in ingebouwde of uitgebouwde toestand. De gegevens inde tabel hebben betrekking op europese of vergelijkbare omstandigheden.
Inspectie in uitgebouwde toestand
| Fahrzeugeinsatz | Kontrolle im eingebauten Zustand | Kontrolle im ausgebauten Zustand |
|
|
|
| Nutzfahrzeuge |
|
|
| Fernverkehr oder ähnlicher Einsatz |
Alle 100.000 km oder max. nach 1 Jahr |
Alle 500.000 km oder max. nach 5 Jahren |
|
|
|
| gemischter Straßen und Geländeeinsatz, Cityverkehr oder ähnlicher Einsatz |
Alle 50.000 km oder max. nach 1 Jahr |
Alle 300.000 km oder max. nach 5 Jahren |
|
|
|
| Baustelleneinsatz, Kommunalfahrzeuge, Baumaschinen, Kranfahrzeuge, Forst- und Landwirtschaftsschlepper, Militärfahrzeuge oder ähnlicher Einsatz |
Alle 25.000 km oder max. nach 1/2 Jahr |
Alle 100.000 km oder max. nach 2 Jahren |
| Omnibusse |
|
|
| Fernverkehrverkehr |
Alle 100.000 km oder max. nach 1 Jahr |
Alle 300.000 km oder max. nach 3 Jahren |
|
|
|
| Cityverkehr |
Alle 50.000 km oder max. nach 1/2 Jahr |
Alle 200.000 km oder max. nach 2 Jahre |
Inspectie in ingebouwde toestand
Bij deze inspectie adviseren wij de in een voertuig of installatie gemonteerde aandrijfas te controleren op de volgende punten:
Het vastzitten van de verbinding tussen flens en ophanglager. Daarbij kan het noodzakelijk zijn de verbinding ( moer ) d.m.v. een momentsleutel overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant aan te halen.
De aanwezigheid en de plaats van de balanceerplaten.
De aanwezigheid van borgringen bij alle naaldlagerbussen.
De aanwezigheid en toestand van de smeernippel bij smeerbare kruisstukken.
Kleur-en vormverandering aan de oppervlakte van de naaldlagerbus als gevolg van overmatige verhitting.
Visuele controle aan de afdichtingen van de lagerbussen en het schuifgedeelte. Beschadigde afdichtingen leiden tot meer smeervetverlies en uitval van onderdelen.
Slijtage en beschadiging van de kunststof coating aan de schuifhuls
Plaats en gesteldheid van de ophanglagers bij tussenassen en aandrijfasstrengen, de afzonderlijke beschermkappen, afdichtingen, lagerbeugel en lagerhuis. Bij axiale speling tussen de afzonderlijke onderdelen bestaat de mogelijkheid dat de bevestigingsmoer loszit, dit maakt het noodzakelijk om de aandrijfas te demonteren en te controleren in uitgebouwde toestand.
Visuele controle op elke vorm van beschadiging, bijv. slijtage aan alle onderdelen, vervorming van de aandrijfaspijp, excentriciteitvan de onderdelen bijelkaar, verfbeschadigingen.
Controle van de speling in de gewrichten.
Kontrolle des Knickspiels mit folgender Vorgehensweise: Dazu wird die Messuhr, wie bei der Überprüfung in ausgebautem Zustand beschrieben angebracht, jedoch unten und die Gelenkwelle von Handkraft angehoben.
Überprüfung in ausgebautem Zustand
Bei dieser Überprüfung werden alle Kontrollen durchgeführt wie in eingebautem Zustand. Weiterführend empfehlen wir folgende Kontrollen:
Beugung auf Spiel und Widerstand in beiden Beugungsachsen.
Nachschmieren von Gelenkkreuzgarnituren, bis an allen vier Nadellagerdichtungen Fett austritt. Ist dies nicht der Fall oder es treten Rost, Schmutz oder Wasser an der Lagerbüchse aus, muss eine Reparatur der Gelenkwelle in einer autorisierten Werkstatt durchgeführt werden. Sind die Gelenke ohne Befund, kann die Gelenkwelle erneut abgeschmiert werden, bis an allen vier Nadellagerdichtungen Fett austritt. Schmiermittel siehe 2.2.
Kontrolle des Knickspiels an der Verschiebung.
Die Gelenkwelle wird ca. 45 mm auseinandergezogen und mit den inneren Gabeln, wie oben abgebildet, in den Punkten A und B auf einer festen Unterlage aufgelegt. Der Messuhrhalter wird neben der Schweißnaht im Punkt C am Rohr befestigt. Die Messuhr wird direkt neben der Schweißnaht von Gabelwelle und Profilschutzhülse am Punkt D aufgesetzt.
Die Gelenkwelle wird im Schwerpunkt so angehoben, dass die Auflage in A und B frei wird. Am Zeigerausschlag der Uhr wird das Knickspiel abgelesen. Es darf max. 0,25 mm betragen.
In vollständig auseinandergezogenem Zustand die Verschiebung am Innen- und Außenprofil sowie den Außenbereich der Profilhülse auf Schäden untersuchen.
Dichtung des Profilschutzes auf Beschädigungen untersuchen. Schmutz und altes Fett sind hierfür zu entfernen.
Ist die Verschiebung ohne Befund, ist diese erneut im Verschiebe- und Abdichtungsbereich neu zu befetten. Hierfür empfehlen wir das Fett "Fuchs Renolit Duraplex EP3". Danach kann die Gelenkwelle wieder zusammengeschoben werden, wobei unbedingt darauf zu achten ist, dass die Markierungspfeile gegenüberliegen.
An der Zwischenwelle wird das Gelenk kontrolliert, wie bei der Gelenkwelle beschrieben.
Das Zwischenwellenlager wird auf Beschädigung des Gummikörpers und festen Sitz des Lagers im Lagerring kontrolliert.
Die Sicherungsmutter ist mit den folgenden Drehmomenten nachzuziehen:
| M24x1,5: mindestens 250 Nm |
| M40x1,5: mindestens 350 Nm |
| M55x1,5: mindestens 380 Nm |
Bei festgestelltem Befund ist die Gelenk- oder Zwischenwelle auszubauen und einer autorisierten Fachwerkstatt zu übergeben.
Der Betrieb des Fahrzeuges oder der Anlage muss sofort eingestellt werden, wenn unnormale Geräusche oder Vibrationen auftreten, sowie bei allen Arten von unnormalem Betriebsverhalten des Fahrzeuges oder der Anlage. Vor der erneuten Inbetriebnahme der Wellen ist dann eine Kontrolle im eingebauten Zustand vorzunehmen. Vor Wiedereinbau der Gelenkwelle muss diese neu ausgewuchtet werden und der Einbau muss entsprechend unserer Hinweise dazu (Siehe unter 1.2) erfolgen.
Wird eine plastische Verformung durch Überbelastung der Welle festgestellt, kann diese nicht mehr repariert werden und muss durch eine neue ersetzt werden.
Eine Überprüfung im ausgebauten Zustand empfehlen wir auch bei einem Wechsel des Fahrzeughalters sowie bei einer Verunfallung des Fahrzeuges.
|